
Daar rijden we dan, na 2500 km, Roemenië, het land waar iedereen zo angstig over doet. Zelfs Peter was er een paar weken terug in zijn droom mee bezig. Een nieuw land, een vreemde sfeer. Hoewel een Oostblokland, duidelijk anders dan de voorgaande landen waar we doorheen gefietst zijn.
Al snel komt er een jongen naast ons fietsen. In eerste instantie denken we dat hij bedelt, maar hij wil alleen maar gezellig een praatje met ons maken, maar zijn taal klinkt òns- en onze taal klinkt hèm vreemd in de oren. Intussen veel gegroet en gezwaai van vrachtwagenchauffeurs, die in een lange rij voor de grens wachten. Een zaak waar telkens weer veel geduld wordt vereist, gezien de tafeltjes met schaakborden langs de weg. Onze metgezel blijft geduldig en netjes, maar uiteindelijk delft hij toch het onderspit en haakt af.
Op een rustig plekje onder een boom gaan we een broodje eten. We bekijken onze rijke buit. We zijn miljonair! Voor 10.000 Hongaarse Forint kregen we 1.300.000 LEI.
Als de koffie ingeschonken is zien we ineens volk uit het maïsveld komen. Een kleine, vrij donkere man met gereedschap op zijn schouder en twee jongens lopen langs ons. Ze kijken ons niet aan en de gezichtsuitdrukking van de man is niet echt vriendelijk. Hun voorkomen lijkt op de wegwerkers van vanmorgen in Hongarije. Heel fijngebouwd. Het is zeker siësta, want we zien meerdere landarbeiders met hun paard- en wagens in dezelfde richting als ons gaan.
Hoewel Hongarije bekend staat om de ‘poesta’, is de meeste grond daar toch cultuurgrond geworden. Hier ligt is dus nog de echte poesta. Veel vogeltjesland met op de drogere stukken slechts verhooid gras en op de iets vochtiger stukken prachtige flora.
Het eerste dorpje is bijzonder. Op de hoofdweg na zijn de brede en kale straten allemaal van zand/gravel. De kippen met pullen en ganzen lopen vrijelijk rond, lekker rollend in het door hun losgeschraapte zand en wegduikend voor elke auto die met een snelle vaart passeert. Het ziet er erg arm, rommelig en stoffig uit. Toch heerst er vriendelijkheid; men kijkt ons na en groet ons. Chauffeurs hangen zwaaiend en toeterend uit het raam. Af en toe zien we een kerkhof; net zo slecht onderhouden als de bewoning.
Ineens, in een schittering, een zilverreiger, prachtig afstekend tegen de donkere lucht. In de verte, gehuld in nevelen, het silhouet van de Karpaten. Het wegdek is als het landschap; een lappendeken. Het hoort bij dit land, maar het is oppassen geblazen. Op het land af en toe een paar kleine gebouwtjes met een waterpomp erbij. Wordt dat nog bewoond? Overal mensen op de akkers, net zoals bij ons vroeger. En dan al die paard -en wagens. We zijn honderd jaar terug in de tijd. We zien klapeksters, wielewalen, valken en vooral heel veel mussen.
Een spat, een paar spatten, wat gaat het doen? Toch maar de regenpakken aan. Het is menens. Hier is niets, dus maar doorrijden. Het wegdek krijgt een witte kleur, zodat elke auto die ons inhaalt onze regenbroeken van zwart in wit doet veranderen. Wat zou dit zijn? Ganzenstront? In de verte bliksemt het. Ooit gelezen dat het een wens is om op de Hongaarse poesta in een onweersbui te belanden. Wij zitten op de Roemeense poesta, maar vinden het helemaal niet leuk. Er is hier niets om te schuilen en als we na een tijdje een vast gereden container langs de weg zien staan, kruipen we daar met veel moeite onder. Na een paar bliksemschichten en onweer regent het iets minder en vervolgen we onze tocht.
In Ineu belanden we in een armoedig hotel. Hebben we genoeg geld? In Chrisnieu-Cris konden we niet aan geld komen. De pinautomaat werkt ook hier niet. Als dat maar goed komt. Een eenzame Belg, ook op de fiets, vertelt ons dat de banken vier dagen dicht zijn in verband met herwaardering van het geld; er gaan 4 nullen af. De balie juffrouw spreekt een piepklein beetje Frans. Ze verzekert ons dat er morgen weer geld te krijgen is. Dus alles komt goed. In een restaurant patat met kip gegeten. Rekening 500.000 LEI. Bij navraag blijken de prijzen op de menukaart per 100 gram te gaan; onze kip was wel 300 gram.
Vrijdag 1 juli: regeldag
En dan is het balen als we om 7.00 uur startklaar voor de pinautomaat staan. Een bankemployé komt naar buiten en hoewel hij geen woord buiten de grens spreekt begrijpen we dat de banken pas maandag weer open gaan; shit, hoewel gisteren nog miljonair, vandaag zitten we niet eens meer op de helft. Zo kunnen we niet verder. Alleen in Arad kunnen we terecht, een vrij grote stad één uur met de bus hier vandaan. We hebben geen keus. De bus staat al klaar, maar de chauffeur is in geen velden of wegen te bekennen. Ik vraag aan een man die ook op het bankje bij de bus zit te wachten of deze bus naar Arad gaat. Hij knikt bevestigend. Als ik met een vragende blik op mijn horloge wijs, krijg ik geen antwoord. Na ongeveer een kwartier komt er een andere bus aangereden. Ineens wijst de man ernaar en zegt: Arad. Bij deze bus aangekomen is de chauffeurs inmiddels ook vertrokken. Een aardige jongeman die goed Frans spreekt legt mij uit dat het waarschijnlijk koffietijd is. Ik stap in de bus en Peter blijft bij de fietsen. Tot straks.
De omgeving naar Arad is één grote poesta maar met meer cultuur dan gisteren. De jongeman is een goede gids. Hij kletst en vraagt aan een stuk door. Hô, hô, zo goed is mijn Frans nou ook weer niet. In Arad wijst hij mij de weg. Ik begrijp dat ik met Euro’s hier altijd aan de bak kan. Er zijn overal wisselkantoortjes. Maar met de overgebleven € 10,00 kunnen we echter geen vier dagen rondkomen, dus op zoek naar een bank. Alleen een buitenlandse bank kan ons helpen en dat is de Raiffeisenbank, waar mijn gids mij na een culturele wandeling van een half uur naar toe brengt. Ik hoop dat we met de 4.000.000 Lei vier dagen toe kunnen. Mijn gids regelt vervolgens de kaartjes voor de tram naar het busstation. Er rijden constant tram’s af en aan en hij weet precies welke de goede is. Bij het station doet hij navraag. De eerste bus vertrekt pas om 12.30 uur en het is nu 10.30 uur. Nadat hij een kaartje voor mij heeft geregeld en mij op het hart drukt niet ver weg te gaan en zeker een half uur vóór vertrek hier aanwezig te zijn neemt hij afscheid, naam, adres en é-mail achterlatend. Wat had ik zonder hem kunnen beginnen? Ik maak mij zorgen om Peter, die natuurlijk niet snapt waar ik blijf.
De bus Arad-Moneasa komt eraan. Er staat meteen een lange rij mensen voor de deur. Als de chauffeur weigert de passagiers er in te laten merk ik dat er problemen zijn. Een Hongaar die goed Engels spreekt maakt mij duidelijk dat er problemen met de airco zijn. Met vertraging vertrekken we; de airco werkt nog steeds niet, maar ik vind het niet warmer dan normaal. De Hongaar vertelt dat hij weet hoe het westerse leven is want hij heeft in Brussel gestudeerd, maar is trots op zijn land en tegenstander van de toetreding tot de EU. “Wij redden het wel”. Iedereen dommelt in slaap, maar met het risico de halte te missen durf ik mijn ogen niet te sluiten.
Peter zit op een bankje te wachten. Links en rechts Roma om hem heen. “Nee, hoor, ik heb geen last van ze gehad. Ik heb ze goed duidelijk gemaakt dat ze bij mij niet aan hoeven te komen om te bedelen. Tjee, wat zitten er een brutale apen bij”. Het is inmiddels 14.00 uur. De Engels sprekende Hongaarse passagier zal wel zeggen “it happens”.
Teruggekomen in het hotel, waar we vanmorgen afscheid hebben genomen, blijkt er niets te zijn veranderd. De bedden zijn niet opgemaakt en het stapeltje natte handdoeken ligt nog op dezelfde plaats in de douche als toen we vertrokken. Waarschijnlijk wordt dat pas geregeld als zich weer nieuwe gasten aankondigen. En dat sluit zich binnenkort aan bij de EU. ’s Avonds wandelen we naar het vervallen kasteel. Een deel van dit gebouw wordt gebruikt als school. Een paar dames, die door de poort naar buiten komen houden ons aan. Het zijn leraressen op deze school en ze nodigen ons in het Engels uit morgen de school te bezoeken. Wij slaan het aanbod af omdat we morgen weer verder willen.
Zaterdag 2 juli: hoofdpijndag.
Peter heeft weer fikse hoofdpijn, met als gevolg niet vertrekken. Ik heb alle tijd om naar de supermarkt te gaan. Een soort “Winkel van Sinkel”; veel koopwaar ligt los in mandjes en doosjes of gewoon door elkaar. De ballpoint die ik koop doet het niet. Als ik er mee terug ga wordt er een nieuwe voor me uit het bakje gehaald. Ook deze doet het niet. Dit herhaalt zich zo’n twintig keer totdat ik zeg dat ik er wel een van een ander merk neem. Bij de kassa aangekomen zie ik dat het winkelmeisje nog steeds aan het pennen controleren is. Ze geeft het niet gauw op. ‘Tijd is geld’ is hier niet aan de orde. Ik ga aan de wandel. Wil toch meer van dit stadje zien. Terwijl ik overal wordt nagestaard wandel ik langs oude vervallen huizen en winkeltjes, afgewisseld door modern ogende zaken. In een oud hoekje ineens een gloednieuwe winkel met prachtige bruidskleding.
Inmiddels is voor de zoveelste keer de stroom uitgevallen. O, wat verlang ik naar ons tentje. Natuurlijk ook primitief maar beter dan de hele dag in zo’n oud groezelig vervallen staatshotel te zitten. Het is de hele dag bewolkt, lekker koel. Jammer van Peter’s hoofdpijn. Natuurlijk is dat onvermijdelijk maar op een flinke regenbui na waren de omstandigheden vandaag ideaal geweest voor de komende rit; klimwerk. Maar ja het is niet anders. Hoe zei die Hongaar dat ook al weer: “it happens”. Beter dan een Nederlands stel, dat hier ook logeert, vandaag het volgende traject per trein af gaat leggen. Zij heeft wat afgemopperd vanmorgen en mijn antwoord “dat dit nou eenmaal een Oostblok hotel is” wilde ze niet horen. Ze was er helemaal mee klaar.
Peter ligt in bed en er is hier verder niets te beleven. Om de tijd te vullen vond ik het leuk om de situatie hier te beschrijven:
Inieu: Terwijl de nieuwe gasten (wij dus) een kopje koffie aangeboden krijgen, gaat een bediende de kamer voor elkaar maken. Wat dat inhoudt is mij nog steeds niet duidelijk. Waarschijnlijk wordt het geïnspecteerd op insecten, het dekbed recht getrokken en droge handdoeken neergelegd.
We hebben een slaapplaats, maar van properheid is hier geen sprake. De stofzuiger moet hier waarschijnlijk nog uitgevonden worden en ondanks dat er een boiler hangt is het water uit de douchekraan koud. Even flink ademhalen, het frist in elk geval op. Later bemerk ik dat eerst de stekker er in had gemoeten, maar dan duurt het evengoed nog enkele uren voor het water opgewarmd is. Wie durft zich trouwens te douchen met een stopcontact in deze roestige ruimte waar een aardingsdraad nergens te bekennen is? Als ik de stekker er later weer uittrek spatten de vonken er af. Op een ingenieuze wijze heeft men een systeem bedacht om de douchekop rechtop te houden, maar het water spat zonder douchescherm of gordijn op de WC en maakt de hele ruimte nat. Al het ijzer is gietijzer, dus verroest, zo ook het gat in de grond waar een dikke dot haar in zwart drab drijft. Als ik onze bezwete shirts en broeken in het wasbakje spoel, kan de put het afvoerwater niet verwerken. Ik zie het drab uit het roestige gat omhoog komen en zich over de vloer verspreiden. Snel probeer ik het gat in de wasbak te dichten, maar het is al te laat. Het water heeft zich al over de vloer verspreid. Met een bezem in de hoek veeg ik alles het gat weer in. De toiletpot hangt aan een groen geoxideerde koperen leiding en de WC bril is met een ijzerdraadje zó vastgebonden dat deze in elk geval niet opzij schuift als ik erop ga zitten.
Als ik de stekker van onze reisdompelaar uit het stopcontact trek, trek ik het hele stopcontact van de wand. De vloerbedekking bestaat uit verschillende delen over elkaar, bij elke naad krult het omhoog. De gordijnen, elk van verschillende lengte, hangen aan ijzerdraadjes en zijn door de roest niet meer te verschuiven. De toilettafel, waarvan één poot met scherpe uitstekende schroeven, staat weliswaar op vier poten, maar van ongelijke lengte, daarboven een spiegel die je in Nederland alleen in pretparken ziet. Een groezelig glas staat op een “wit” servet met een bruine vlek op een al even groezelig blaadje. Het glazen afdekplaatje van het nachtkastje bestaat uit gebroken delen, net een legpuzzel. Daarop een vaas met twee vale plastic tulpen. De laden noden niet om geopend te worden. Er staat een tweepersoons bed met ‘schone’ lakens, of zijn ze al eerder gebruikt en onderzocht op vlekken? De gewatteerde dekens en kussens lijken van lood; een versleten dekbedhoes als camouflage. Ik durf niet onder de lakens te kijken; wie weet wat daaronder te vinden is. We besluiten onze eigen slaapzak en kussens te gebruiken en vallen heerlijk in slaap. Geen erg in het gebonk van het verkeer dat hotst en botst op het slechte wegdek. Wat kan het leven toch simpel zijn.
Op het bankje bij de bushalte zitten mensen te wachten. Af en toe worden neuzen opgetrokken als de kadavergeur van een rottende hond in het parkje met de wind wordt meegevoerd. Niemand schijnt zich er om te bekommeren. Af en toe komt er een Roma jongetje zijn bedelact opvoeren. We weten dat als we hiermee beginnen er geen eind is. Toch wordt er door de bevolking af ten toe iets in hun hand gedrukt. We zullen aan dit tafereel moeten wennen.
Zondag 3 juli:
Het is bewolkt en de lucht is verzadigd. Vóór ons de grijze contouren van de Karpaten. Een witte wolkenrand hangt er als een schapenvacht overheen. Als we Inieu achter ons laten zien we in ons ooghoeken achter ons een groepje krotten, midden op de poesta. Het valt op omdat er kleurige was buiten hangt. Hier huist dus een groepje Roma. Wat een ellende. Even later fietsen we langs een paard- en wagen met een oud stel op de bok. Even verder staat een koe aan een touw in de berm te grazen. We willen wat eten maar het is overal nat. Als we toch een plekje gevonden hebben komt het echtpaar met hun paard- en wagen weer aanrijden. Na elke 10 meter wordt er halt gehouden om de koe wat te laten grazen. Wij zijn net zo’n bezienswaardigheid als zij voor ons. In de dorpjes lopen overal ganzen en kippen met pullen. Blaffende honden achter de hekken. Als er een Dacia komt aangescheurd rijdt ie bijna een gans omver. Deze keer had het beest geluk.

Langzaam wordt het gebied heuvelachtiger. Er loopt een vrouw langs de weg. Ze ziet er armoedig uit en haar gezicht staat grauw, net zo grauw als de buitenkant van de dorpjes. Toch is aan de restanten versiering te zien dat het ooit mooie huizen zijn geweest. Ingestorte schuurtjes, opgelapt, troep. Door de motregen ziet alles er nog droefgeestiger uit. Elke zijstraat is van zand en gravel met overal plassen. Het centrum ziet er beter uit. Het is zondag; de klokken luiden, soms van drie kerken tegelijk. De kerkgangers zien er in hun klederdracht mooi uit.
Auto’s toeteren naar ons en er wordt zelfs vanuit een auto een foto van ons gemaakt. Buiten de dorpen is het rustig, stil zelfs. We fietsen in een andere wereld. Ik heb rode bultjes op mijn benen, vlooienbeten? Heeft het Nederlandse echtpaar toch gelijk gehad? Heb ik ze in het hotel opgelopen of in de bus? Peter heeft ze tenslotte niet. Maar niet meer aan denken.
Er liggen hopen kalk langs de weg, kunstmest voor de Roemenen. Daar werden we dus de eerste dag zo wit van toen we in de regen fietsten. Er vliegen veel vlaamse gaaien, eksters, kleine klapeksters, zwaluwen, duiven en mussen. De enkele auto, meestal een Dacia, horen we al vanaf een afstand al aankomen. Het is maar goed dat we brood bij ons hebben want, hoewel de winkels in Roemenië elke dag open schijnen te zijn, zien wij ze niet. Hooguit een cafeetje waar buiten drank en chips niets te krijgen is.
Maandag 4 juli:
De hooiruiters staan hier net zo talrijk als de in de dorpjes rondscharrelende kippen. We zien ooievaars, wielewalen, roofvogels, koeien, herders en herderinnetjes; een oudje past op haar koe met een breiwerkje onder haar oksels.

De zon doet pogingen door de mistflarden heen te komen en doet de blikken kerktoren in de verte glinsteren, alsof het zilver is. De koeien grazen nu buiten; gisteren, zondag waren de koeien thuis. Dan mag er waarschijnlijk niet gewerkt worden. Dat is ook de reden dat we gisteren diverse paard- en wagens met een pluk hooi erin hebben zien rijden; de koeien moeten toch eten op zondag. Op de kleine akkertjes waar vooral veel wordt gehooid is nu ook veel werkvolk. Ieder heeft waarschijnlijk een stukje voor eigen behoefte. Het veld lijkt op een lappen deken.
De mist trek langzaam weg en de zon komt al meer tevoorschijn. Af en toe een wolk, maar dat maakt het juist aangenaam. De auto’s passeren ons ruim met netjes de richtingaanwijzer uit. Een toetertje waarschuwt ons dat ze er aan komen. Betekent twee toeters dat ze niet van plan zijn ook maar iets opzij te gaan? Als we dat ervaren schieten we de kant maar in. Ook het geluid van de motor doet ons vermoeden dat de chauffeur geenszins van plan is ons ruimte te geven. Op nog geen halve meter naast ons worden we gepasseerd. Achter het hek beginnen twee honden naar ons te blaffen en als we denken dat het veilig is hebben we het mis. Ze springen gewoon over de hekken maar zijn gelukkig niet zo agressief als ‘de hond aan de losse ketting’ in Hongarije, maar het is wel irritant als ze zo vlak bij je kuiten blaffend achter je aanrennen.
Brad is mooier dan zijn naam doet vermoeden. Het ziet er hier heel beschaafd uit, niet zo’n bende als de kleine dorpjes die we eerder gepasseerd zijn, hoewel het vervallen station nog in gebruik is. Als we hier pinnen, krijgen we de gewone oude bankbiljetten. Waarvoor moesten in godsnaam alle banken vier dagen dicht? Bij het verlaten van de stad rijden we onder enorme pijpleidingen door. Als we even later zien dat ze vanuit de enorme hoog opgetrokken dijk komen, weten we wat het is. Chemisch afval. Mocht zo’n dijk ooit eens bezwijken, zal Brad echt een ‘brat’ zijn (westfries voor bende).
Op een gegeven moment zien we in de verte een groepje mensen bij elkaar. Zou hier een schooltje zijn? Als we naderen blijken het Roma te zijn. Men schreeuwt naar ons en een vrouw maakt vlak voor ons op een vrij agressieve manier een gebaar naar haar mond. Als we doorrijden krijgen we nog een paar schreeuwen toe. Even verder komt nog een groepje Roma aanlopen. De man doet zijn tas open: paddestoelen. Of we die willen (moeten) kopen? Hoewel het allemaal dreigend overkwam was ik niet echt bang, maar leuk is anders. Een situatie die een beetje op Peter’s voorspellende droom leek.

Het boekje: “Enkele kilometers buiten Brad heeft de mijnbouwcrisis in het zwart begruisde dorpje Crisior genadeloos toegeslagen. De paar lage haveloze flats met veel ontbrekende ramen blijkt evenwel nog bewoond. De adem stokt bij dit troosteloze tafereel. Gelukkig komt de ademhaling weer snel op gang in het fraaie groene dal van de inmiddels kleine Crisul Alb. Dat is wel nodig want er volgen klimmetjes langs een toekomstige stuwdam waarvan de bouw jaren heeft stilgelegen”.
Wat zou de bedoeling van de schrijver hiermee zijn? Waarom staat er niet hoeveel kilometer deze klim is? Na elke bocht denken we het gehad te hebben, maar de klim gaat gestadig door. Als ik op een iets vlakker stukje op de kaart kijk, constateer ik dat het wel 10 km wordt. Het uitzicht is prachtig. Op een paar gemene stukjes van 10% na klimmen we zonder veel moeite naar boven. Als de rots, herkenbaar van de foto uit het boekje, ineens opdoemt moet ik er toch een foto van maken. Op een gegeven moment zie ik heel bovenaan wat huisjes staan waar een piepklein autootje rijdt. “Peter, zie je die huisjes daarboven? Daar loopt vast een andere weg, die van ons zal daar wel onder blijven”. Een kwartier later fietsen we langs de ‘kleine huisjes en het piepkleine autootje’. Het verbaast ons steeds weer dat we in zo’n korte tijd zo’n hoogte bereiken. Opeens houdt het asfalt op. Het is goed uitkijken op de weg met zijn losse ruwe grove stenen. Af en toe passeert een auto ons. De kant induiken is haast onmogelijk. Als we opzij kijken zien we de haarspeldbochten als een kronkelende slang beneden ons liggen. Dan eindelijk zijn we boven. ‘Buces Vulcan’.
De afdaling is net zo slecht als de klim; het eerste stuk steenslag, daarna asfalt met de gebruikelijke gevaarlijke gaten. Het is hier druk; de werkdag zit er om half vier zeker op en vooral de marktkooplui hebben erg veel haast. We zijn dan ook te laat voor de markt in Câmpeni. Alles is al opgeruimd -wat rest is een ongezellig oud stadje; vervallen en verroest- absoluut zonder charme. We fietsen door vele dorpjes, maar alles ziet er wel beter uit dan de eerste dagen. Na 88 km komen we bij het klooster van Lupsa. Als we een kijkje nemen zien we een vrij nieuw gebouw achter de muren. We hadden vernomen dat kloosters in Roemenië gastvrije overnachtingplaatsen kunnen zijn. De enige broeder die we ontdekken doet net of hij ons niet ziet, dus we besluiten maar naar het ernaast gelegen pension te gaan. Daar blijkt in eerste instantie geen kamer beschikbaar te zijn, maar na enig aandringen toch weer wel. Zijn fietsers in dit chique verblijf niet welkom? Het ziet er netjes uit, het eten smaakt goed en het weer is heerlijk. Wat wil een mens nog meer? Vanaf het terras zien we een complete gezinnen die aan het hooien zijn, ook de kinderen -vele handen maken licht werk- of maken ze het werk af? Komt er nog meer regen?
Als we ’s avonds de TV aandoen zien we beelden van een overstroming. Bij navraag blijkt dat er door de hevige regenval een rivier bij Boekarest buiten zijn oevers is getreden. Wat een bende; huizen ingestort en kamers onder water. John sms’t dat het in Nederland ook uit de hand is gelopen. Schiphol is zelfs een tijdje gesloten geweest. Wat een zomer.
Tot Baia de Aries blijft het bebouwd, daarna wordt het rustiger. We volgen een prachtig, bosrijk dal van het riviertje de Aries met enkele stroomversnellingen en watervallen. Het schone water van een paar dagen terug is veranderd in roestbruin. Regelmatig kruist de rails van het afgedankte boemeltje de weg; dan weer links, dan weer rechts. De rails is overwoekerd met de mooiste flora, o.a. cichorei en gele toorts. Het landschap is fantastisch. De bergen hoog en steil.

Bij Brazesti vallen de kleuren van een groep vogels op. Peter ziet dat het hoppen zijn, fouragerend langs de waterkant. Weer een nieuw soort voor ons. Aan de overkant een waterval. Men heeft een pijp aangebracht om de mensen van schoon drinkwater te voorzien, maar de pijp is op diverse plaatsen gebroken en het water valt in de rivier. Een jonge Roemeen vertelt dat 10 km verderop wel drinkwater is.
Later zien we een prachtige voetbrug over de rivier. Deze moet natuurlijk op de foto maar de eigenaar, die aan de overkant zijn veld bewerkt, gebaart mij weg te gaan. Hij stelt het niet op prijs.

Er staat er een groep koeien aan de kant van de rivier in het water. Mooi plaatje. Het laatste stuk van de weg naar Buru is bijzonder slecht. De gleuven tussen de betonplaten zijn uitgesleten en bijzonder scherp. Wegwerkers zijn bezig de gaten te vullen, maar daar is weinig eer aan te behalen. Bij de voetbrug in Buru drinken we koffie. Deze is lang niet zo mooi als de vorige, maar het dorpje aan de overkant doet toch lieflijk aan. Zit er een notenkraker op de elektriciteitsdraad?
Als we bij Buru naar links afslaan rijden we langs een klein snelstromend riviertje, de Lara. Het eerste stuk wordt hier af en toe gepicknickt, iets wat we in Roemenië nog niet eerder hebben gezien. Als we het eerste dorpje naderen worden we weer stil. Het is weer armoe troef en dat uit zich onmiddellijk in de houding van de mensen. Ik peins er niet over om hier foto’s te maken, vooral omdat men ons hier overal nastaart. Een ongemakkelijk gevoel op zulke plaatsen. Vanaf Buru klimmen we geleidelijk. Het blijft bebouwd en het landschap verandert, weidser en minder steile bergen. Toch verschijnt in dit prachtige gebied weer zo’n gigantische chemische dijk. De klim naar de top bij Magyarleta valt erg mee en het uitzicht boven is wonderschoon. We kijken uit over een prachtige hoogvlakte dat enigszins doet denken aan Schotland. De hellingen rijzen als puisten op uit het landschap. De bloemenpracht doet de heimwee naar onze eigen tuin vergeten. Zoveel kleur en zoveel soorten bij elkaar. Overal kleine akkertjes waar gezinnen aan het werk zijn. Een nostalgisch plaatje uit onze jeugd.
De lucht broeit, er valt een spatje. Als we afdalen regent het. In Savadisla zien we een bord ‘Zimmer Frei’. Dat hadden we hier in deze omgeving niet verwacht. We aarzelen. Het ziet er hier wel wat welvarender uit. Kunnen we niet beter naar de camping, 19 km verderop? Een vrouw komt naar buiten en plukt wat aan de bloemen in haar tuin. We wijzen op het bord. Ze kent een piepklein beetje Duits.
De kachel in de douche wordt met houtjes aangemaakt. Ze gebaart: 5 minuten. Ze is erg aardig met een open blik. Ze is van oorsprong Hongaarse en vindt dat de Roemeense vrouwen niet ‘clean’ zijn. Een nichtje spreekt goed Engels. Of we naar een restaurant gaan of hier eten? We kiezen natuurlijk voor het laatste. De soep bestaat uit bouillon met veel stukken brood of is het een ander graanproduct? We weten het niet. Het vlees is afkomstig van één van de varkens die hier achter het huis tussen de andere varkens is opgegroeid. Het smaakt verrukkelijk. De rode kool, ook uit eigen moestuin, smaakt prima en de frieten zijn beter dan die in de restaurants. Natuurlijk mogen we de schnaps niet missen. Wat een gastvrijheid. De aardbeien die Peter mag plukken zijn heerlijk zoet. Oma, die hier inwoont, doet de klusjes. Ze loopt diverse keren heen en weer met een schaaltje waarvan de inhoud naar de varkens of naar de kippen gaat. Tegen de avond worden de kippen, waarvan er een met zijn poten aan een touwtje vast zit, in het nachthok gedaan. Ook dat behoort tot oma’s taak.
Woensdag 6 juli:
De regen klettert naar beneden. Wat zullen we doen? We hebben vandaag 100 km te gaan. Het ontbijt bestaat uit gebakken saucijzen, kaas en een dik plak spek met zwoerd. Alles keurig opgediend met tomaat en gele paprika. Als we de kaart erbij halen en we de gastvrouw duidelijk maken dat 100 km klimwerk wel pittig is, ontkent ze het klimwerk. De weg is toch vlak? Ze heeft vast niet begrepen dat we binnendoor gaan. Om 10 uur wordt de regen minder en we besluiten toch maar te vertrekken.
Als een slingerende bloedrode ader levert de rivier een doodstrijd om zo snel mogelijk beneden te komen, kolkend en woest om zich heen spattend, wat totaal niet bij het rustige leven hier in Roemenië past. De DN 1 naar Cluij-Napoca mag dan wel druk zijn, er is aan weerszijden een brede strook voor paard- en wagens en de enkele fietser. Men houdt zich goed aan de snelheidsbeperking en het inhaalverbod. In het centrum hangt de kerstverlichting nog, of alvast? Het centrum heeft wel wat bijzonders, lijkt inderdaad wel wat op Wenen. De Michaelskerk is eenvoudig. We zijn de enige fietsers hier.
Als we Cluij verlaten mist Peter zijn regenbroek die hij in het centrum heeft uitgetrokken. Teruggaan heeft geen zin. Er zijn teveel mensen die zo’n broek kunnen gebruiken. Maar waar kunnen we hier een nieuwe bemachtigen?
De gestadige klim weet niet van ophouden. De zon laat zich zien en het is gelijk weer benauwd. De omgeving naar Chinteni is niet arm met vooral het laatste stuk veel nieuwbouw. Bij het meertje waar we koffiedrinken zitten diverse recreatieve vissers. We ontdekken dat het bekende kikkergeluid dat we hier vaak horen de grote karekiet is. Hij zit vlakbij op een rietstengel. Ineens een opvallende vogel en ja hoor, op de elektrische bedrading zit een klapekster en er vliegen er nog een paar. Eindelijk. We wisten dat ze er moesten zijn.
Een vrachtauto met hout wordt gelost. Alle planken liggen los en terwijl de lossers snel achteruit springen, klettert er een hele stapel naar beneden. Dit herhaalt zich tot alles op een hoop op de grond ligt. Dat is Roemenië.
Als we de top bij Deusu bereikt hebben is het uitzicht adembenemend. Aan alle kanten een prachtig zuiver liefelijk heuvellandschap in de mooiste kleuren goudgeel, groen en koper. Nog nooit zo’n fantastisch uitzicht gezien. Boven ons zweeft een prachtige roofvogel. We zien dat het geen buizerd is. Op een gegeven moment hangt hij stil, vleugels omhoog en klauwen naar beneden om plotsklaps een duikvlucht te maken. Schitterend. Een dwergarend. Als we de klim vóór Panticeu genomen hebben valt een rij zwaluwen op de elektriciteitsdraden mij op. Maar Peter weet wel beter: dit zijn geen zwaluwen, maar bijeneters. Af en toe vliegt er een weg, zodat de kleuren helemaal mooi uitkomen. Fantastisch. Onze dag kan niet meer stuk. Ook hier weer een wonderschoon uitzicht.
Het landschap blijft maagdelijk tot de eerste dorpjes in zicht komen. De eerste huizen in Caprioara vallen op. Zo’n gigantische bende hebben we nog niet eerder gezien. Er staat een huifkar, eenzelfde die we na onze koffiestop in Panticeu weg zagen rijden. De eerste keer dat we Roma in een huifkar zagen. Hier ‘wonen’ zij dus. Nou ja wonen. Het is een grote baggerzooi en de kinderen, de meisjes met lang zwart haar en lange jurken, zien er vervuild uit en lopen allemaal blootsvoets. De kleinsten in hun blote kont. Wat hebben ze prachtige grote ogen. Dit tafereel herhaalt zich in de eerstvolgende dorpjes. Het begin en eind van de dorpjes wonen Roma.
De laatste 1,5 km 8% en pittiger dan we verwacht hebben. Er zitten stukjes van 10% in en onze spieren hebben het al aardig voor hun kiezen gehad. De laatste 30 km naar Dej gaan langzaam naar beneden, maar het wegdek is te slecht om daar van te kunnen profiteren. Ook is het drukker bewoond waardoor het mooie landschap niet tot zijn recht komt. Er is maar één hotel/restaurant in Dej. Dus we hebben na 102 km niet zoveel keus.
Donderdag 7 juli:
Voor het eerst pinnen we nieuw geld; toch wel even wennen. Na Dej is het landschap open met op de achtergrond heuvels. De rode dakpannen hebben plaats gemaakt voor blik, wat meteen een somberder aan’blik’ geeft. Het voelt koud.
De vrouwen lopen soms kilometers om brood te kopen. Hoewel hier veel paard- en wagens rijden beschikt lang niet iedereen over deze luxe. Er wordt veel vervoerd met kleine karretjes; meel, stenen, hout. Omaatjes verzorgen de beesten. De welvaart verschilt van dorp tot dorp. Tussen Branista en Beclean ziet het er aardig welvarend uit. Nieuwe huizen worden gebouwd alsof het paleisjes zijn. Steeds vals plat langs de Somesul Mare, de rivier die we af en toe in het vizier krijgen. Om 12.00 uur komen de gezinnen van het land. We hebben moeite ons broodje buiten op te eten; de mensen hebben hier zo’n verbeten gezichtsuitdrukking. Af en toe gebedel, maar ze worden bij hotels en winkels weggestuurd. Soms krijgen ze een kleinigheid. Een dag van veel extremen. Tot Lunca Ilvei veel bebouwing, niet echt arm met een matig landschap. Er staan hier huizen op de hellingen, iets wat we niet eerder gezien hebben. Het gras op de steile hellingen wordt met de hand gemaaid; je moet maar durven. Hoewel we bijna geen speelgoed hebben gezien, wordt er in de welvarender dorpjes af en toe door kinderen gefietst. Ook veel kruizen met een Christusgedaante langs de weg. Wegwijzers zijn verroest en onleesbaar, de vangrails verrot; vaak staan alleen de paaltjes er nog. Hoe arm een dorp ook is, hier staan op veel plaatsen splinternieuwe kerken, soms twee tegenover elkaar. Veel automobilisten zwaaien of geven een klein toetertje. Zelfs de treinmachinist kon dat niet nalaten en gaf drie kleine toetertjes toen hij ons passeerde.
De laatste 30 km:
We fietsen op beton en de weg stijgt langzaam. Het is niet alleen dat de gleuven tussen de platen uitgesleten zijn, het hele wegdek is geraffeld. Het is constant ‘landje veroveren’, zodat er geen gelegenheid is om ons heen te kijken. We rijden niet sneller dan 9 km per uur en een vrachtauto die ons inhaalt, gaat bijna niet sneller. Dan bij Magura verandert het wegdek. Steenslag. Door de hevige regenval gelukkig niet stoffig, maar het is goed opletten om de enorme diepe plassen te ontzien. De bus voor ons rijdt eerst rechts om vervolgens in een krappe bocht naar links uit te wijken, om de plassen manoeuvrerend. De snelheid wordt minder dan 7km per uur en er is absoluut geen gelegenheid om ons heen te kijken. We dachten over dit traject 2 uur te doen, het worden er zeker 3. We wisten dat dit een moeilijk traject zou zijn, want na Lunca Ilvei kunnen we helemaal niet meer fietsen. Daar moeten we volgens het boekje de trein nemen. De vrachtauto, die ons zojuist passeerde, stopt. De bijrijder stapt uit en houdt het elektrische draad dat los aan een paal hangt, omhoog. Langzaam rijdt de vrachtauto eronderdoor, in de hoop de kabel niet te breken. De bebouwing is hier prachtig. Mooie houtbewerkte huizen. De mensen zijn ook vriendelijk. Ze groeten met bonjour of bonsoir, of iets wat daar op lijkt. Op de steenslagweg stopt een auto. Een Roemeens stel houdt ons staande en maakt ons in perfect Engels duidelijk dat er in Lunca Ilvei een goed hotel en restaurant is.
We zijn moe. Waar is dat hotel nu? Na enkele km’s zien we een armetierig bordje CFR staan. Dat is het station, dus daar zal het hotel ook wel zijn. Een steil klimmetje brengt ons inderdaad naar het station, maar de conducteur weet ons in het Roemeens wijs te maken dat het hotel nog zoveel km’s in die (wijzend) richting is. Als we weer op de hoofdweg zijn, vraag ik aan een paar mensen waar het hotel is. Zij schudden ontkennend hun hoofd.
Er komt een jongen naast Peter fietsen en in perfect Engels weet hij ons, over een grove kiezelweg waar bijna niet op te fietsen valt, naar het hotel te brengen, Als ik vraag waarom de bevolking ontkennend had geantwoord op de vraag waar het hotel is, antwoordt hij dat dit ook geen hotel, maar een motel is…….
In zo’n afgemat lichaam werkt een ‘Ursus’ bier dubbel en we zien alles weer zonnig als er een dubbele portie friet met dikke kippenbouten wordt geserveerd. Eindelijk weer eens een bord vol; dat hebben we vandaag wel verdiend. Onze kamer is nieuw en schoon. Onze reddende engel, Jo, laat zich af en toe zien, maar is niet opdringerig.
Vrijdag 8 juli:
Bij het ontwaken realiseer ik me pas goed wat Jo had verteld. Toen ik hem gisteren vroeg of een ander Nederlands stel hier de nacht ervoor had gelogeerd had hij geantwoord dat hij dat niet weet omdat hij er toen niet was. “Een noodgeval, ik was met de ambulance mee”. Hij is namelijk de zoon van de plaatselijke arts. Als Jo zich na het ontbijt weer laat zien vraag ik hem om uitleg. “Een spoedgeval is hier altijd een probleem. We zitten op één van de meest geïsoleerde plaatsen in Roemenië; een auto doet er 2 uur over om in het dichtstbijzijnde hospitaal (60 km) te komen en een ambulance doet er nog langer over”. Je zou toch met een gebroken been, hartaanval of barensweeën over deze bonkige weg vervoerd moeten worden. Wat ben ik blij in Nederland te wonen.
Peter heeft het er redelijk goed vanaf gebracht. Toen ik zijn ogen gistermiddag zag had ik er niet veel vertrouwen in. Altijd weer in ogenschouw nemend dat een te zware dag weer in een bedlegerige hoofdpijndag ontaart.
We zijn op tijd op het station. Er komt een werkloc aan. Twee stukken rails moeten er door twaalf man vanaf getild worden. Ze lopen allemaal op laarzen; zouden werkschoenen bestand zijn tegen zo’n gewicht als het niet goed zou gaan?
De treinrit levert niet veel extra’s op. Vaak door bebost gebied met weinig uitzicht door de hoge naaldbomen. Na diverse tunneltjes komen we na ± 1 uur aan in Vatra Dornei. Omdat we vandaag een rustdag willen, kloppen we bij het verlaten van het stadje bij het eerste (en tevens) laatste motel aan. We zijn niet welkom; men heeft het ook hier dus niet op fietsers.
Het boekje:“Vanaf Vatra Dornei leidt de route langs een aantal bezienswaardige kloosters van Bucovina naar Moldavië. De fietser moet daartoe een viertal passen bedwingen tot een hoogte van 1100 mtr. Na Lacobeni begint een pittige klim in de oostelijke Karpaten naar de Mestecanis Pas van 1096 mtr.”.
Met ons vermoeide lijf (mijzelf) en hoofd (Peter) hebben we de klim toch maar weer volbracht. De weg was druk; veel vrachtverkeer. Een truck met boomstammen die ons passeerde, reed eigenlijk net zo langzaam als wij. Soms was het schrikken als een busje of vrachtauto er niet over peinsde om bij een tegenligger achter ons te remmen en ons rakelings passeerde. De weg was van dien aard dat we niet veel kanten uit konden. Probeer dan je stuur maar ontspannen vast te houden.
Daar zitten we dan 1096 mtr. hoog in onze krappe vierpersoons hut. Twee bedden om in te slapen, twee bedden voor de tassen. Meer ruimte is er niet. We konden ook een kamer nemen, maar het idee de WC /douche -de douchesproeier zoals gebruikelijk boven de WC- met anderen te delen stond ons niet aan. Nu hebben wij een eigen toiletruimte, maar het water dat als een flinterdun straaltje naar beneden komt wisselt van lauw tot lauwwarm. M’n haar wassen kan ik wel vergeten. Dan morgen maar.
En dat zijn van die momenten dat ik heimwee heb naar huis; thuis, waar alles zo lekker voor elkaar is. Ik houd mezelf voor dat de lakens schoon zijn, maar het ruikt hier zo gigantisch muf. Alles lijkt ook te kriebelen; er zouden toch geen vlooien zitten? Als Peter een tweede deken over zich heen legt komt er een onfrisse walm vanaf. Onze Hongaarse hostess had gelijk, de Roemenen zijn niet schoon. Ik val pas tegen de ochtend in slaap.
Zaterdag 9 juli:
I.p.v. een rustdag te houden besluiten we het klimwerk doseren. We moeten er voor waken niet teveel op een dag te doen, anders sneuvelen we onherroepelijk. Het uitzicht op 1096 mtr. is nog wat nevelig, maar wel mooi. Mede door de huizen tegen de hellingen ziet het er een beetje Oostenrijks uit, hoewel minder welvarend, maar niet arm.
Het boekje: “bloemrijke alpenweiden maken hogerop plaats voor donkere bossen, gevolgd door een lange afdaling. Na de afslag is de weg weer rustig en volgt een klim met grote bochten naar de Bolui Pas van 1040 mtr. De omgeving blijft steeds bosrijk en afwisselend”.
De eerste 20 km gaan inderdaad gemakkelijk. Hoewel dit de doorgaande weg is, is het minder druk dan gisteren. Komt dat omdat het zaterdag is? Aan de toeristen, die we eerder nauwelijks gezien hebben, merken we dat we Bucovina binnenrijden. Toeristen worden hier ook gekoesterd. In de kleine winkeltjes worden altijd de meest verse artikelen voor ons uitgezocht. Tijdens de klim naar de Bolui Pas ervaren we één en al enthousiasme van chauffeurs en buspassagiers. De klim van 8% is pittig, maar we slaan ons er goed doorheen. Op een enkele chauffeur na geeft men ons alle ruimte. Tijdens een sanitaire stop bij de Bolui Pas zien we een vale spotvogel. We kijken onze ogen uit naar de prachtige versierde houtbewerkte vakwerkhuizen, poorten en waterputhuisjes.
Bij het klooster van Vatra Moldovitei krijgen we, als enigen, een rokschort voorgeknoopt. Onze benen zijn zeker te bloot? De beschilderingen -bijbelse taferelen met als hoofdmotieven het Laatste Oordeel en de belegeringen van Constantinopel- zijn indrukwekkend; geen cm dat niet beschilderd is. Algemene hilariteit als we nog iemand tegenkomen met een schort voor.
Als we bij de uitgang een broodje nuttigen zien we vanuit de kloosterpoort tegenover ons een paard- en wagen vol met hout, met op de bok 2 nonnen de weg op rijden. Een Middeleeuws tafereel.
Bucovina is toeristisch, dus makkelijk een kamer te vinden. De hostess is van Duitse afkomst en het pension, dat uitzicht geeft op Vatra Moldavitei, is prachtig. Lekker douchen, haren en kleren wassen. De vorige nacht ben ik al weer vergeten.
Een complete wolkbreuk. De regen valt met bakken uit de lucht. Godzijdank zitten we warm en droog. Je zou nu in een tentje zitten. Tijdens het lekkere, maar nogal karige avondeten -meerdere gasten die hier aan tafel zitten hebben duidelijk dezelfde mening- wordt ons verteld dat het klooster bij Humorului last heeft van de buiten-zijn-oevers-tredende rivier de Humor. Oei, wij gaan daar ook naar toe. Als wij vragen of we nog risico lopen, antwoordt de gastheer lachend: “Ach kloosters liggen nogal hoog en zij hebben natuurlijk de zegen van boven”.
Zondag 10 juli:
Een vredig landschap- links en rechts stroompjes die zich kronkelend een weg naar beneden banen. Er is weinig meer te bespeuren van de wolkbreuk van gisteravond. De klim naar de Ciumarna Pas (1109 mtr.) gaat ritmisch. Tussen de bomen hangt nevel, alsof men hier grote vuren aan het stoken is. Het wegdek is wonderlijk goed. Op de top staat een beeldhouwwerk; een grote hand met rond de palm een brug, wijst omhoog. Het fototoestel wordt op de zelfontspanner gezet. Juist op het moment dat hij afgaat tikt een hond er met zijn poot tegenaan met als resultaat een luchtfoto. Ook een poging van een Roemeense toerist mislukt. Wij mogen er zeker niet samen op.
Een snel opkomende mist zorgt ervoor dat alles ineens dicht trekt. Gelukkig is het niet druk op de weg en we zijn blij met de reflecterende hesjes. Na een koele afdaling van 11 km. komen we in Sucevita. Ondanks onze lange broeken krijgen we ook bij dit klooster weer schorten voorgeknoopt. Zijn onze fietsbroeken te strak? Ook dit klooster is zeer de moeite waard. De schilderingen dateren uit een latere fase, van rond 1600, met bijbelse motieven uit het paradijs, de boom van Jesse, de Jakobsladder en de belegering van Constantinopel. De veelvuldige afbeeldingen van gruwelijke martelingen zijn luguber.
Marginea is een langgerekt dorp met naar Moldavische gewoonte afgeschermde erven en met uitbundig houtsnijwerk fraai versierde poorten. Het is een zondag zoals bij ons vroeger; de mensen zitten ontspannen bij elkaar op de bankjes voor de mooie hekken. Bij Marginea kunnen we kiezen: gaan we de extra lus naar Putna, waar men over de vallei op de Ukraïne uitkijkt, of nemen we de kortere route? Omdat we van een stel vernomen hadden dat de extra lus niet bijzonder veel toevoegt, besluiten we het orthodoxe klooster in Putna voor lief te nemen en slaan we rechts af.
Hoewel nog behoorlijk heuvelachtig is het landschap na Marginea veranderd. We zitten echt op de rand van de Karpaten. Toch krijgen we nog leuke klimmen van wel 10% voor onze kiezen, maar ze zijn niet meer zo lang. In de namiddag -we voelden het al aankomen- regen. Bij een eettent in Solca zien we een bord met een gebraden kip. Daar hebben we best trek in. Als we bestellen blijken ze hier helemaal geen eten te verkopen, ook geen kip. Wel bier. Een klant snapt ons probleem en stelt voor ons naar een ‘han’ (kamer) te brengen, hier vlakbij. We gaan op zijn aanbod in. Als wij denken een feestprocessie tegen te komen, zien we een dode op een baar in een glazen omhulsel liggen…….
Maandag 11 juli:
Voor Peter een vreemde nacht. Hij kon de slaap niet vatten en automatisch gaan dan de gedachten naar gisteravond. Onze ‘helper’ was op het afgesproken tijdstip toch gekomen. Terwijl hij schichtig om zich heen keek liet hij een revolver onder zijn jas zien. Het was dus geen praat in de drank geweest. “Of we een stuk antiek in Holland voor hem wilden verkopen”. De serveerster had gelijk: “pas op voor deze man”. Met een Jantje van Leyen zijn we naar onze kamer vertrokken, met de mededeling dat we vroeg opstaan. Pas in bed realiseerden we dat we ons toch in een lastig parket hadden begeven. Wie weet staat hij ons daar morgen op te wachten. “Nog nooit van mijn leven hebben ze mij een revolver aangeboden”, zei Peter.
Maar gelukkig gebeurt er niets. De weg voor ons strekt zich uit als een pas uitgerolde loper die nog rechtgetrokken moet worden. Het begint met een venijnig klimmetje van 12% en ondanks de valse lichte glooiing vóór ons blijft het pittig. Hoewel de lucht verzadigd is, het bos weer lijkt te roken, is het landschap fantastisch. Men is nog druk aan het maaien, elke dag een stukje. Ongetwijfeld wordt er de hele zomer gemaaid; werk dat in Holland in één dag klaar is. Waar je ook kijkt, overal staan hooiruiters. Waarom hier weer die norse uitdrukking op de gezichten? Zou het wel norsheid zijn? Of is het gewoonweg schuwheid? We zijn Bucovina uit en laten de toeristen weer achter ons. De mensen hier zien waarschijnlijk bijna geen buitenlanders.
We zitten op de grens: rechts de hoogte van de Karpaten, links meer heuvellandschap. De groet van de wielewaal voelt weer vertrouwd. Zou deze vogel ook niet van toeristen houden? Eerst vliegt hij rechts over de weg om daarna weer terug te komen .
Vlak vóór Gura Humorlui worden we weer uit onze droom wakker geschud. Het gladde asfalt verandert in een slechte betonweg en het wordt druk. De paard- en wagens, die vandaag in grote getale af en aan rijden, lopen in de berm, maar daar is het om te fietsen onmogelijk. De diepte van de plassen is niet te peilen. Tijdens een koffiestop in een dorpje worden we gadegeslagen door een man. Hij wijst naar de fietsen en vraagt of hij er een foto van mag maken. We schieten in de lach als we bemerken dat niet de fietsen, maar de tassen zijn belangstelling wekken. Zulke mooie fietstassen heeft hij nog nooit gezien.
In Humorului willen we pinnen. We krijgen geen geld. Waarom eigenlijk niet? Een bankemployé erbij, maar ook dat levert niets op. Te weinig saldo oppert hij. Ik schrik mij rot. Er stond toch genoeg op de rekening. Zou iemand via de computer de bankrekening gecrasht hebben? Gelukkig lukt het bij de raiffeisenbank wel.
De weg naar Humor is niet veel beter en het is nog steeds druk. Als we bij het klooster ‘Manastirea’ arriveren krijgen we deze keer zwarte zijden rokschorten. Wat ziet Peter er charmant uit.

De schilderingen zijn ouder en minder goed bewaard gebleven. De restauratie van het altaar heeft een kitscherig resultaat opgeleverd. Eigenlijk hebben we nu wel genoeg kloosters gezien, maar Voronet ligt zo dichtbij dat het kinderachtig zou zijn deze over te slaan.
Als we richting Voronet gaan zien we met eigen ogen de restanten van de overstroming van eergisteren. Langs de rivier de Moldava stukken land onder water, pompende brandweer en meegesleurde bomen. Toch verbaast het ons dat het waterpeil, eergisteren 4 meter hoger, nu al weer zoveel gezakt was. Onze omweg wordt beloond, want dit klooster is zonder meer de mooiste van allemaal. Men is druk aan het restaureren; ontbrekende taferelen worden met een eindeloos geduld opnieuw beschilderd; wat een monnikenwerk. Wel weer luguber al die afgehakte hoofden en andere taferelen van martelingen van vele heiligen.
We blijven gecharmeerd van die statige zwart/witte vogels. Geen 10, maar 11-12-13-14-15 ooievaars bij elkaar. Het landschap verandert snel; het weer blijft hetzelfde. Een verzadigde lucht wat af en toe in motregen ontaardt. Het wil hier dit jaar niet zomeren. Hebben we daarvoor twee flessen zonnebrandolie aangeschaft en onze thermo kleding weggegeven? Als Peter en Joke op vakantie gaan zijn er altijd extremen.
Als we door Baresti rijden weten we niet waar we kijken moeten. Links en rechts prachtige vakwerkhuizen van het fijnste houtsnijwerk in de mooiste pastelkleuren De schuurtjes lijken bijna nog mooier dan de huizen zelf. We zijn zo vol bewondering dat we amper in de gaten hebben dat wij door de mensen nagestaard worden.
Enkele km’s vóór de afslag naar Falticeni zien we een aantal vrachtauto’s met knipperende lichten staan. Een truck ligt gekanteld in de berm. Zo te zien is de chauffeur er goed vanaf gekomen. Het (chauffeurs)motel aan de verkeersweg E85 (bij Fãlticeni) is netjes. Voor het eerst eten we een heerlijke traditionele Roemeense maaltijd: Forel met pepersaus en maïspasta met veel knoflooksaus.
Dinsdag 12 juli:
Het lijkt wel een morgen in een museumdorp. We zien de ene paard- en wagen na de andere. Als we in Boroaia aankomen valt het Peter op dat ze allemaal dezelfde richting inslaan. “Daar moeten we heen”. Over de brug fietsend zien we wat er aan de hand is. De jaarlijkse graanmarkt? Het wemelt er van de paard- en wagens, waar families, uitgedost in hun zondagse kledij zich hebben verzameld. Wij zijn de enige vreemdelingen.

Nog een foto van de vele prachtige, paleisachtige kerken die hier veelvuldig staan.
De twee klimmen naar Brusturi zijn weer pittig -of zit dat tussen onze oren? Een paard- en wagen stopt, de man aan de teugels springt van de bok en haalt zijn trui te voorschijn want het begint weer te regenen. Tegen mijn gevoel in probeer ik er een foto van te nemen, ik wil de mensen geen gevoel geven aapjes aan het bekijken te zijn, maar de man lacht en gebaart dat hij het goed vindt.

We zoeken een plekje om koffie te drinken, maar op de een of andere manier lukt dat niet. Alles is nat, de greppels diep, het gras lang en bankjes staan hier nou eenmaal niet. Op een gegeven moment staat bij een oud houten krotje een man naar ons te wenken. We snappen niet wat hij bedoelt, maar als hij het woord ‘refuge’ gebruikt heb ik het door. “We mogen hier schuilen, laten we dat maar doen”. Het wemelt er van de vliegen en de kachel brandt. De vodden afkomstig van de vuilnisbelt waar hij de ladende- en lossende vrachtauto’s controleert, worden als brandstof gebruikt. Hij biedt ons bier aan, maar we drinken liever onze koffie op. Hij kletst aan een stuk door en gooit zijn balpen bijna kapot als hij eindelijk begrijpt dat wij ± 100 km op een dag rijden. Helemaal perplex. Na handgeschud, bloemen “vor die frau”, een handkus en omhelzing vervolgen wij onze route. Intussen is het echt gaan regenen.
Het boekje: Agapia behoorde ooit tot een van de grootste nonnenkloosters van Europa en wordt nog steeds levendig bewoond. Veel landproducten worden door de nonnen zelf verwerkt. Agapagia ligt als een oase in een besloten groen dal, 8 km over een verharde zijweg de heuvels in. De van oorsprong 17e eeuwse gebouwen werden verschillende keren aangepast. De sfeer wordt bepaald door gebouwen met witte arcaden rond goed onderhouden tuinen en een schoon binnenplein. Aangrenzende lagere woningen hebben vriendelijke lichte erkers. het besloten klooster biedt een ontspannen mogelijkheid.
Inderdaad, de weg is van asfalt, maar er is geen meter meer knap. Zigzaggend, om de diepe kuilen vol met water te ontwijken, komen we boven. Bij de laatste huizen, dichtbij het klooster, wordt gehoosd. Nat, nat en nog eens nat. We zijn doorweekt, zodat we niet echt ontspannen het moois kunnen bewonderen. Zullen we hier maar overnachten? Een trapje naar beneden voert ons langs een straatje met lage woninkjes; een kamer is nergens te vinden.
Als we eindelijk om 14.00 uur bij een ‘pensionu’ door een paar kinderen binnengelaten worden zien we op de TV beelden van gigantische overstromingen in Roemenië. We zijn nat en hebben het koud. We slaan een deken over ons heen, maar we blijven koud. We wachten. 1 uur, 2 uur, 3 uur…. we horen niemand, we zien niemand. Één keer hebben we een oma haar hoofd om de hoek zien steken; daarna niet meer. Peter zou het liefst weggaan, maar waarheen? Het regent nog steeds en ondanks alles ben ik blij dat we aan deze kant van de weg een kamer gevonden hebben; de andere kant, waar de rivier loopt vertrouw ik niet. Eindelijk om 19.30 uur zie ik de vrouw des huizes. Ik moet wel actie ondernemen, want zelf laat ze zich niet zien. Als ze me ziet lijkt het de gewoonste zaak van de wereld, maar als ik haar duidelijk probeer te maken dat we graag wat willen eten, stuift ze weg onder een “wait a moment”. Wat ze met dat moment bedoelde wist ze zeker zelf ook niet, want na 10 minuten in de hal gewacht te hebben ben ik maar weer naar onze kamer gegaan. Om 20.30 uur zitten we eindelijk aan tafel; buiten, met de regenjassen aan, rillend van de kou.
Woensdag 13 juli:
“My brother tomorrow go to Holland” probeert de gastvrouw in haar beste Engels een gesprek. “Then we go with him”, zegt Peter. Ze vindt dit antwoord niet leuk, maar Peter is het zat. Hoewel altijd optimistisch, op dit moment baalt hij. “Volgend jaar gaan we naar de Sahara fietsen, misschien dat ze daar dan eindelijk eens water krijgen”.
Het is maar goed dat ik gisteravond afgerekend heb want na het, overigens voortreffelijke, ontbijt zien we de gastvrouw niet meer, totdat ze opgetut in een keurig mantelpak uit haar woning komt. Onder een bye, bye wandelt ze op hoge hakken weg. Moet ze met de bus naar haar werk?

Het regent, maar we vertrekken toch maar. Het wachten van gistermiddag was al erg genoeg. We worden al gauw met de werkelijkheid geconfronteerd. De rivier de Cracau kan het water niet verwerken. Bomen en omgevallen hooiruiters in- en maïsvelden onder water. Het water komt al dichterbij. Nieuwe rivieren vormen zich, waarvan één zich een weg baant dwars door een agrarisch bedrijf. De hekken zijn weggeslagen; het huis staat nog op het ‘droge’, maar de schuur staat in het water. Even verderop is het nog erger. Een heel boerenbedrijf staat in het water dat al tot de weg reikt. Als ik foto’s maak voel ik mij een ramptoerist. “We moeten maken dat we wegkomen”, is onze gedachte. Water stroomt over de weg, soms komt het van rechts, soms van links
Gelukkig is het heuvelachtig, zodat we telkens weer uit het water vandaan fietsen. Als we over de brug die de rivier kruist fietsen, zien we een woeste kolkende watermassa. Aan beide kanten staan enkele honderden meters land onder water. Omdat Piatra Neamt weinig te bieden heeft (i.v.m. vernieuwing door Ceaucescu zijn de meeste culturele gebouwen vervangen door betonbouw) willen we deze stad afsnijden (via Dobreni-Girov), maar dit alternatief is onder deze omstandigheden onmogelijk; de zand/gravelweg is één grote blubberzooi. In Piatra Neamt staan sommige stukken weg onder water. Als we al niet nat zijn worden we het daar wel; auto’s passeren met een voor ons veel te hoge snelheid, een gordijn van water tegen ons aan gooiend.
Een fel klimmetje om de stad uit te komen, maar het is inmiddels gestopt met regenen. Het blijft heuvelachtig; graanvelden en zonnebloemen. Een chauffeursmotel langs de weg vóór Roman, ziet er netjes uit. We kiezen ervoor en zien op de TV welk een ravage er in Roemenië is. We weten nog steeds niet waar het rampgebied is en we besluiten alle plaatsjes, waarvan beelden getoond worden, op te schrijven. Als we de kaart erbij halen constateren we dat we wel heel dicht bij de rampspoed zitten.

“Goede middag, met de alarmcentrale van de ANWB, wat kan ik voor u doen?”.”Met Joke K. we zitten in het overstromingsgebied van Roemenië en we weten niet wat we moeten doen”.
”Wat bedoelt u, mevrouw?”.”Wat bedoelt u, kom nou, u weet toch wel van de overstromingen in Roemenië?”.” Nee, mevrouw, daar weten wij niets van, is dat zo?”. Hoe is het mogelijk! 150000 HA staat onder water, de president heeft heel oost Roemenië tot rampgebied verklaard en de noodtoestand afgekondigd, 24 uurs TV uitzending en de ANWB weet van niets?.
Donderdag 14 juli:
Waarschijnlijk heeft de ANWB-man gisteren in eerste instantie gedacht een schizofrene tante aan de lijn te hebben; hij belde keurig na een uur terug met zijn verontschuldigingen. Inderdaad, terwijl het hier al dagen mis was, was men van de hele situatie in Nederland nog niet op de hoogte. Wij waren volgens hem de eersten die aan de bel trokken.
“Wat kunnen we voor u doen?” had hij gevraagd. “Advies”, had ik geantwoord. “Wij weten niet wat we moeten doen; verder gaan, als dat tenminste kan, of naar huis gaan”. Vervolgens de vraag: “Kunt u op het vliegveld in Boekarest komen?”
De receptioniste van het motel had daarna geïnformeerd of er een trein naar Boekarest reed. Dat was inderdaad het geval, maar niet meer volgens het normale traject. Ze had keurig de plaatsen opgeschreven waar de trein, via een omweg, langs zou gaan rijden.
Een dubbel gevoel een beslissing gemaakt te hebben om naar huis te gaan en de volgende dag is het stralend mooi weer. “Doen we er wel goed aan te vertrekken?”, vraagt Peter zich af. “Kunnen we niet beter een paar dagen wachten tot het water gezakt is?”. Het idee ons einddoel, zo dicht bij, niet bereikt te hebben zit ons dwars. De Donaudelta is toch het gebied waar we zo naar uitgekeken hadden.
Roman ligt toch nog verder dan we verwacht hadden. We hadden besloten vandaag eerst maar polshoogte te gaan nemen, wilden morgen niet voor verrassingen komen te staan. Is het station makkelijk te vinden? Langs de weg staat een hele karavaan Roma. Zouden ze hier hun kamp opzetten? Vlak vóór Roman ineens psssst. Rijden we 3000 km mét plakmateriaal, zonder lekke band; rijden we 16 km zónder plakkers en wat denk je? Een lekke band. Gelukkig worden we door een behulpzame jongen naar een ‘vulcanizair’ gebracht, waar met alle tijd van de wereld vakkundig de band gelapt wordt. Het station is snel gevonden. Daar hoeven we ons morgen niet druk om te maken.
Vrijdag 15 juli:
Langzaamaan loopt het perron vol. De mensen kijken allemaal onzeker. Komt er wel een trein? Eindelijk arriveert hij, maar niemand weet welk traject er gevolgd wordt.

Daar zitten we dan. Beetje angstig; “Hij zou toch niet wegzakken?”. Links water, rechts water. Een paar mensen zitten wezenloos voor hun huis te staren. Een geel kinderfietsje ligt eenzaam op het dak. De achterkant van het huis staat in het water. Aan de andere kant staan armoedige huizen in roestbruin water. Aan een enkele maïsplant kan je zien dat hier cultuurgrond moet zijn; vol moed houden enkele sterke zonnebloemen met moeite hun kop boven water. In de verte steken nog een paar stukjes hek boven het water uit, een raar gezicht, hekjes die in de zee staan. Ook de dijk, waarop onze trein rijdt, is geen dijk meer, want hij staat tot de rails aan toe in het water. De trein rijdt stapvoets, voorzichtig om te voorkomen dat elke trilling een verzakking van de rails kan veroorzaken. Soms stopt hij een tijdje, we kunnen toch wel verder?Een onwerkelijke wereld. Bij Galati is het of we in de zee rijden. Dit is dus watersnood. Een raar woord ‘nood’ alsof er gebrek is aan water.
We noteren de haltes die we passeren. We zien de perrons van Vaslui, Birlad (Barlad) Tecuci, Galati, Braila, Ianca, Buzau, Ploiesti en arriveren ca.17.30 uur op het station in Boekarest. Een rit van 9 uur. Hier vernemen we dat dit de laatste treinrit is geweest. We hadden geluk gehad, maar het had weinig gescheeld of deze rit was fataal geworden. We zijn er heilig van overtuigd dat met dit risico de trein nooit had mogen vertrekken. Maar bij ons geen twijfel meer dat we de goede keuze om te vertrekken hadden gemaakt. Het beeld van Galati onder water staat in ons geheugen gegriefd: watersnood. Het gaat nog maanden duren eer de Delta, ons uitgangsdoel, weer hersteld is.